Reebeheer op Terschelling

Afschot kon zowel in de vorige Flora- en fauna Wet als in de tegenwoordige Wet Natuurbescherming worden toegekend indien maatschappelijke en economische noodzaak daartoe aanwezig is. Die criteria stonden in de vorige en staan in de nieuwe wet uitgebreid omschreven. Zo dient schade meerjarig en gedocumenteerd schriftelijk te worden gerapporteerd om een zekere mate van betrouwbaarheid te bereiken. Een enkele eenvoudige melding van een terreineigenaar of beheerder dat ergens schade aan jonge opstand is geconstateerd is derhalve over het algemeen niet voldoende. Discutabel is dan of de schade zó onacceptabel en/of ontoelaatbaar geacht wordt dat zelfs afschot als onderdeel van het beheer wenselijk zou zijn.

Nu we vanaf 2017 uitsluitend te maken hebben met de Wet Natuurbescherming wordt nog eens de aandacht gevestigd op het feit dat een totaal pakket van maatregelen (met afschot als laatste 'redmiddel') met betrekking tot een beschermde diersoort overwogen kan worden indien bijvoorbeeld in de provincie Fryslân van de volgende criteria gesproken kan worden. Dat het dier:

  1. schade veroorzaakt aan de wilde flora of fauna, of aan natuurlijke eenheden;
  2. ernstige schade doet aan tuin- of akkerbouw, veehouderijen, bossen of andere vormen van eigendom;
  3. door aanwezigheid nadelige gevolgen heeft voor het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang.

Punt 1. Het ree kan eventueel de eigen populatie - als onderdeel van de wilde fauna - schade toebrengen indien het aantal reeën zo hoog zou worden dat de dieren elkaar in de weg zitten (rust, dekking en voedsel). Dat is mede aan het gedrag van het ree te merken en in de leefomgeving waar te nemen. Om die criteria te kunnen vaststellen is een simpele telling met al z'n onnauwkeurigheden onvoldoende. Mocht dat het geval zijn, dan is een meerjarig en gedegen onderzoek noodzakelijk om dat aan te tonen.

Punt 2. Ernstige schade aan de flora dient wetenschappelijk aangetoond te worden. Daartoe dient meerjarig en onderbouwd te worden gerapporteerd dat ondanks enige vraat- of veegschade het ree procentueel onacceptabele schade toebrengt aan de opstanden (flora).

Punt 3. Het ree kan de openbare veiligheid in gevaar brengen, bijvoorbeeld door steeds weerkerende aanrijdingen per tijdseenheid.

Voor de drie punten geldt, dat afschot toegestaan kan worden indien andere minder agressieve maatregelen niet voldoende bleken om de schade te beperken of te voorkomen. Een uitzondering voor eventueel afschot kan gemaakt worden indien een ree uit zijn lijden verlost dient te worden (ernstig verminkt of verwond door aanrijding of bijvoorbeeld een loslopende hond, uitzichtloos verzwakt). Dit dient dan wel plaats te vinden onder de wettelijke bepalingen.

Vertalen we deze drie belangrijkste punten naar een zo vast omsloten leefgebied als het eiland Terschelling, dan wordt het duidelijk waarom de staatssecretaris in 2016 onmiddellijk het afschot op het eiland stil liet leggen. De belangrijkste punten waardoor in de provincie tot afschot mocht worden overgegaan ontbreken namelijk op het eiland als volledig begrensd leefgebied. Het ree brengt hier geen onacceptabele schade toe aan flora en fauna, waaronder de reeënpopulatie zelf; er is geen aanmerkelijke schade in de polder of aan jonge aanplant; aanrijdingen vinden zeer sporadisch plaats en voornamelijk omdat het nagelaten is om de wildspiegels naast de badweg van West in een goede staat te houden of om op andere plaatsen de nodige spiegels / rasters te plaatsen. Deze spiegels reflecteren autolampen en geven daardoor een waarschuwend signaal aan de reeën af.

Voor de plaatselijke wildbeheereenheid bestaan er voor de genoemde punten geen wettelijke redenen om in dit exact omschreven leefgebied dezelfde toestemmingen als in de rest van de provincie Friesland toe te passen. Ieder met zelfs een minimale kijk op wildbeheer begrijpt dat daarom afschot op basis van deze criteria op dit moment op Terschelling onnodig en derhalve onwettig is.

Over een juist beheer zijn, zoals je merkt, nog vele bladzijden meer te vullen. Hoe dat eruit ziet kun je onderstaand lezen. Hier presenteert onze stichting het Reebeheerplan 2018-2023, gepubliceerd d.d. 22-februari-2018.

Het bestuur

Reebeheerplan 2018-2023

Zoals beloofd en met gepaste trots presenteert de Reeënstichting Terschelling haar meerjaren Reebeheerplan.

Dit beheerplan geeft de beleidslijnen weer voor de komende vijf jaar. Het is een richtlijn voor jagers, terreinbeheerders, beleidsmakers en overige belanghebbenden om gezamenlijk het ree als een interessante aanvulling van de fauna van Terschelling te kunnen waarderen. Vooral van belang is om te onderstrepen dat met dit beheerplan primair te rade wordt gegaan bij het ree zelf. Immers de aanwijzingen die het ree ons verschaft is vele malen belangrijker dan de mening van beheerders die soms van mening lijken te zijn dat het ree zich zou moeten gedragen naar menselijke maatstaven. Een gedragen beheerplan voor het ree kan alleen worden bereikt door middel van een open communicatie met bewoners, bezoekers en instanties op het eiland, op basis van kennis, ervaring en argumentatie.

Deze meerjaren visie op het beheer van het ree op Terschelling biedt houvast voor het vervaardigen van een jaarlijks werkplan.

Onderzoeksrapport eindrapportage ree op Terschelling (en Ameland)

Eind vorig jaar en begin dit jaar heeft de FBE Fryslan een onderzoek uitgevoerd naar het ree op Terschelling. De rapportage is onlangs definitief gemaakt. De Reeënstichting Terschelling mocht het voor openbare publicatie al ontvangen en zodoende konden we het aan een objectieve, kritische blik onderwerpen. Onderstaand de download van het rapport. Het commentaar daarop van Jan M. Smit (op persoonlijke titel) en dat van deReeënstichting, kunt u daaronder lezen of ook downloaden.

De Provincie heeft nadat zij het rapport heeft bestudeerd besloten om het door de FBE voorgestelde ree-afschot uit het rapport NIET op te volgen!

Een quote: "Er zijn op dit moment geen wettelijke belangen in het geding die het afgeven van een machtiging rechtvaardigen."

Waarom zijn wij niet verbaasd? Omdat we dit nu al jaren roepen. Ja, we roepen dat al jaren; tegen onze WBE (wildbeheereenheid), tegen de VHR (vereniging het Reewild), tegen de KNJV, tegen de minister en de pers. Het leek tegen dovemansoren aangezien afschieten van ree hoger op de agenda stond dan het duurzaam beheren van deze diersoort. En de terreinbeheerder (Staatsbosbeheer)? De WBE heeft haar leden verboden om met derden (waaronder met name staatsbosbeheer) te praten over reebeheer onder dreigement van royement/ schorsing dan wel ontzetting uit het lidmaatschap van het betreffende lid. En Staatsbosbeheer weigert tot op heden met ons te praten over een andere kijk op reebeheer omdat zij naar eigen zeggen trouw blijven aan hun gespreksparters, waaronder de WBE Terschelling. Een fatsoenlijke organisatie dus, dat is prijzenswaardig! Maar nu blijkt maar weer dat die opstelling onhoudbaar wordt. Waarom ziet de Provincie, na bijna twee jaar zonder afschot (!) nu dan nog steeds geen 'wettelijk belang' om afschot te verkrijgen dan? Denk daar maar eens over na. Hoe is het ree-afschot (waar zoveel ophef over is ontstaan) voordien dan WEL tot stand gekomen, jaar in jaar uit? Precies...

'De inhoud en de bevindingen zijn heel duidelijk, onze WBE heeft alles volgens de regels uitgevoerd en alle aantijgen zijn onjuist geweest.'
Dit schrijft de WBE Terschelling zojuist (1 juli 2018) aan haar leden. Dat is de conclusie die zij kennelijk het meest belangrijk vinden om met hun leden te delen, want verder wordt er niet over gesproken. Welnu; leg dat statement nu eens naast de op -en aanmerkingen van de Reeënstichting Terschelling en trek dan zelf de conclusie.

Wie is er hier nu gek?

Met vriendelijke groet,

Bestuur Reeënstichting Terschelling

(met dank aan reecoördinator Jan M. Smit voor zijn altijd kundig en kritisch advies)

Commentaar J Smit op rapport FBE

Onderstaand het commentaar van Jan M. Smit op persoonlijke titel dat is verzonden aan o.a. Provincie Fryslan, FBE Fryslan, Staatsbosbeheer, KNJV en VHR.

Dames en heren,

Veel dank dat ik zo spoedig na het gereed komen van de rapportage over het reebeheer op Terschelling en Ameland deze mocht ontvangen. Dit commentaar bestaat uit twee delen.

1. Mijn commentaar onder eigen verantwoordelijkheid als rapporteur van de ontwikkeling op Terschelling;
2. Zienswijzen van de Reeënstichting Terschelling (RT). Dit laatste omdat ik heb vermeld dat ik de berichtgeving als coördinator voor het reebeheer op het eiland deel met de Reeënstichting.

Opmerkelijk is dat deze reactie komt van uitsluitend gemotiveerde jagers.

Deel 1, commentaar Jan M. Smit

Dit commentaar zal op Terschelling betrekking hebben, daar mij de terreinbijzonderheden op ons buureiland onvoldoende bekend zijn om daar een oordeel over te vellen.

Wel een opmerking over de op Ameland geconstateerde aanrijdingen. Indien onvoldoende beschermende maatregelen zijn getroffen door de wegbeheerder en indien de aanrijdingen niet door bijvoorbeeld de plaatselijke politie bevestigd worden is het wellicht wenselijk die aantallen aan een onderzoek te onderwerpen.

Allereerst moet mij van het hart, dat de wetenschappelijk geachte waarde van dit FBE-rapport al in de aanhef, 'Probleemstelling', enig geweld wordt aangedaan. De onderzoekcommissie (hierna OC) spreekt in deze inleiding over 'aantijgingen' mijnerzijds. Aantijgingen zijn kwaadwillige en ongegronde beschuldigingen, ook wel insinuaties, verdachtmakingen genoemd. In een wetenschappelijke nota horen deze ongefundeerde en niet bewezen oordelen van de OC niet thuis. Temeer niet daar ik al een half jaar eerder - februari 2016 - voordat een artikel in de Leeuwarder Courant (LC; 26-08-2016) verscheen, een aantal organisaties met een uitgebreide en onderbouwde nota (Het Ree op Terschelling) op de hoogte heb gesteld van de onwettige ontwikkelingen van het reebeheer op Terschelling. Deze nota werd verzonden onder andere naar de Koninklijke Jagers Vereniging (KJV), de Vereniging Het Reewild (VHR), Staatsbosbeheer (SBB), de provincie Fryslân en de Faunabeheereenheid (FBE). De wildbeheereenheid (WBE) op Terschelling stelde geen prijs op het rapport maar werd doorlopend gewezen op de ontstane en onwettige situatie. Ik wil benadrukken dat ik de tegenwoordige voorzitter van de FBE al in een algemene ledenvergadering van de Vereniging Het Reewild in 2016 in een inleiding publiekelijk gewezen heb op de discrepantie die bestond tussen ree-aanrijdingen te Appelscha en het afschotbeleid op Terschelling dat aan aanrijschade in de provincie gekoppeld werd. De wildbeheereenheid (WBE) heb ik (tot vervelens toe) gewezen op het amateuristische karakter waarop zij de tellingen doorvoerde, terwijl het telprotocol bij de WBE bekend was. In het voornoemd LC-artikel stelt de OC dat ik de stelling verkondigd zou hebben dat:

de WBE Terschelling willens en wetens de telgegevens van de reeën op het eiland ten eigen bate zou manipuleren om zo het afschotquotum frauduleus te verhogen.

Dit is onjuist, het staat niet in bedoeld artikel. Wel werd het gesjoemel van de WBE aangehaald:

De betrokken (wild)organisaties hebben informatie gekregen over dit onnadenkende provinciale beleid, maar de WBE weet hen - met sjoemelwaarheid - te overtuigen dat het prima geregeld is.

De opening van het rapport met de probleemstelling van de OC blijkt zo een aanzet te zijn voor een tendens die mijns inziens ook het wetenschappelijke gehalte van het rapport weergeeft. Het bevat veel aannames, veronderstellingen, subjectieve beoordelingen en aangenomen waarschijnlijkheden. Een eenzijdige en amateuristische benadering, waarin bijvoorbeeld aan de wettelijke bepalingen onvoldoende aandacht is besteed. Ook dat geeft de indruk dat de OC niet heeft begrepen waar het nu eigenlijk over gaat.

De provincie (en daarmee de FBE) is kwalijk te nemen dat zij onvoldoende hebben nagedacht over het onwettelijke afschot op het eiland. Men had ondanks alle waarschuwingen onvoldoende oog voor dit leefgebied. Het rapport Het Ree op Terschelling werd waarschijnlijk ter kennisgeving aangenomen, zonder enige reactie van ontvangst of bestudering.

In een mondeling onderhoud tijdens het onderzoek verzekerde de OC mij dat de wildbeheereenheid betrouwbaar geacht werd in het verstrekken van gegevens en accepteerde daardoor de steeds hoge telcijfers die de WBE aanleverde. Aan te nemen is dat mede aan de hand van die hoge tel-aantallen van jaar op jaar hogere afschotquota werden toegekend.

Mijn door de OC gekwalificeerde 'aantijgingen' bleken wel voldoende reden voor de staatssecretaris om de provincie te manen onderzoek te doen. Op Kamervragen antwoordde de heer Van Dam onder andere:

De provincie Friesland heeft laten weten dat het afschot van reeën zoals dat op Terschelling door de Wildbeheereenheid is uitgevoerd, niet valt binnen het doel en de voorwaarden waarvoor de ontheffing is verstrekt. De provincie heeft aangegeven dat zij maatregelen zal nemen om herhaling te voorkomen.

De landelijke overheid en de provinciale waardeerden de 'aantijgingen' voldoende oprecht om een duur en langdurig onderzoek in te stellen. Aan de ene kant is dat te billijken, aan de andere kant zou een deskundige op het gebied van ree en Wet natuurbescherming voldoende geweest zijn om gemeenschapsgelden te besparen.

De OC geeft met haar tendentieuze opmerkingen aanleiding de bezorgdheid van de landelijke en provinciale overheid te bagatelliseren. De provincie zag redenen mijn onderbouwingen wel degelijk als correct en gegrond te verklaren, gezien het feit dat zij een belangrijk deel van de conclusies van de OC niet opvolgde. Er worden voorlopig geen machtigingen tot afschot op dit eiland toegekend. Ik ben de provincie dankbaar voor de mijns inziens reële standpuntbepaling.

Over de OC wil ik eveneens een kanttekening plaatsen. Het komt vreemd over dat de voorzitter van de FBE ook als voorzitter van de OC aangesteld werd. De FBE had namens de provincie een onnodig, ondoordacht en onwettelijk beleid op ree voor dit leefgebied toegelaten. Met een universeel beheerplan ree (UBR) dacht zij dat te kunnen toestaan, maar dat bleek dus een ernstige misrekening. De Waddeneilanden zijn omsloten leefgebieden voor ree, de FBE had dat kunnen begrijpen. De samenstelling van de OC wekt de indruk, dat een 'eigen' vertegenwoordiging van de FBE de eveneens 'eigen' fouten moest gaan beoordelen. Met andere woorden: een misstand wordt doorgaans door een objectieve commissie beoordeeld en daar had ook de provincie op kunnen wijzen.

Door het gehele rapport valt te lezen dat de OC de gegevens van de WBE geloofwaardig acht, de FBE kon daar dus vertrouwen in hebben. Een constatering die bedoeld is om de fouten van de FBE te verdoezelen? Een rechtvaardiging? Meestal wordt een voorzitter voor een discutabel beleid ter verantwoording geroepen. In dit geval mocht hij zijn eigen handelen onderzoeken, waarbij de essentie van de opdracht van Van Dam de OC kennelijk is ontgaan. We zullen zien wat ook de Reeënstichting Terschelling daarvan vindt.

Over de betrouwbaarheid van de WBE valt veel te zeggen, onder andere over de chantage die de WBE toepaste om mijn jarenlange bijdrages aan de bladen van KJV en VHR te willen laten beëindigen. Het ondoordachte vertrek van voorzitter en secretaris uit het bestuur is ook tekenend voor bestuurlijk falen.

Hoe dan ook: een goed gesprek met belanghebbenden op een volwassen basis lijkt mij uitermate zinvol!

Downloads

Commentaar Reeënstichting op rapport FBE

Lees onderstaand het commentaar op het FBE rapport Reebeheer op Terschelling (en Ameland) van onze Reeënstichting Terschelling!

(voor een apart artikel over de zin en onzin van tellen van ree, klik HIER)

Terschelling, 5 juni 2018

Onder dankzegging voor het toezenden van het eindrapport ‘Reeën en Reebeheer op Terschelling en Ameland’ aan onze reecoördinator Jan M. Smit geeft de Stichting haar zienswijze, advies en commentaar op het voornoemde rapport. Hoewel de heer Smit zijn commentaren op persoonlijke titel heeft geschreven, ondersteunt de Stichting zijn zienswijze van harte.

De Reeënstichting Terschelling waardeert het besluit van de provincie om tegen het advies van de FBE voorlopig geen afschot op ree op Terschelling toe te kennen. Dat getuigt van een kritische kijk op zaken, gestoeld op kennis, feiten en realisme.

De Stichting geeft hierbij haar zienswijze door middel van enige kritiek op het eindrapport van de onderzoekcommissie. Zij verwacht dat de Stichting wel degelijk als een serieuze belanghebbende op het eiland beschouwd gaat worden. De Stichting verzoekt dan ook om als stakeholder en gesprekspartner - als het gaat om het reebeheer op Terschelling - haar goede inbreng te kunnen blijven leveren.

Met vriendelijke groet,

R. Schroor, voorzitter Reeënstichting Terschelling

Tellen van reeën

Dit wordt overgelaten aan de beheerder. Gezien de veelheid aan meningen, zo zegt het rapport, is het wenselijk om het tellen zodanig volgens de voorschriften uit te voeren, dat hierover geen misverstanden ontstaan. Duidelijk wordt dat vele deskundigen (waaronder onze coördinator) steeds benadrukken dat tellingen op ree onnauwkeurig zijn. De wettelijke eis om te tellen stelt de RT voor een klein dilemma om dat zó te organiseren dat de waarnemingen geen reden tot misverstanden kunnen opleveren. De RT is van mening dat daarom alternatieven gezocht moeten worden. Een aanzet daartoe wordt gemeld in het reebeheerplan van de Stichting. Voor een beheer met een totaal pakket van maatregelen maakt het niet uit hoeveel reeën er in een leefgebied voorkomen, wel gelden wettelijke bepalingen om eventuele schade te voorkomen.

Totstandkoming telcijfers WBE

Naast de tellingen van hogere duintoppen wordt in het Wester bosareaal slechts door één lid op de fiets geteld. Voor het overige blijkt dat op de tellocaties veel gebruik werd gemaakt van weinig met het ree vertrouwde eilanders. De conclusies van de tellingen zijn dan ook globaal vastgesteld, waarbij tellingen die sterk afweken van de verwachting 'gecorrigeerd' werden. Veel amateurs doen aan de telling mee, aanspreken en leeftijdbepaling werden hoogst dubieus. Op een drietelling telde de één alle reeën bij elkaar op, de ander weer niet. Elk ree dat even in de dekking verdween en weer tevoorschijn kwam 'was er weer één'. Sommige bestuursleden gaven tellers vanaf bepaalde punten de raad om eerder geziene of vermoedelijk verwachte reeën bij de waarneming op te tellen ((getuigen kunnen dat bevestigen). De strikte geheimhouding van de telgegevens voor belangstellende leden geeft sterk de indruk dat de tellingen min of meer naar eigen behoefte werden bijgesteld en niet openbaar gemaakt mochten worden. Uit het staatje van bladzijde 10 blijkt ook al dat er in de opgave die de OC heeft overgenomen van de WBE van willekeur sprake is en derhalve redelijk onbetrouwbaar. Vooral van een telling op het Jan Tijseduin (telplaats 22, 2016) geeft de WBE een aantal op dat verbazing wekt. Op dit punt vond een controlewaarneming plaats door minstens twee gecertificeerde reeënbeheerders van een week vóór en een week ná de officiële telling (bijlage). Hiervan is de uitslag vele malen lager dan de opgegeven 28 stuks die op één waarneming op een observatiepost door een lid van de WBE zouden zijn geteld. Toch wordt de controlewaarneming door de OC in een gesprek met onze coördinator als 'onbetrouwbaar' gekwalificeerd. Let wel: in dat gebied op de Bosplaat was geen jacht. Ook stelde de OC dat de totale ecologische dichtheid op het eiland vermoedelijk omstreeks 200 reeën zou betreffen. Wel vreemd dat er zich dan 28 (= 14% van het geheel) rond het Jan Tijseduin verzameld zou hebben. Te meer omdat de OC ook stelt dat de biotoop op de Bosplaat minder geschikt zou zijn.

Derhalve kan het waarheidsgehalte van de cijfers van de WBE worden betwijfeld. Het argument dat er verkeerd geteld zou zijn kan een reden zijn, maar dat is dan te wijten aan het onvermogen om het tijdig verkregen telprotocol van de VHR te bestuderenn. Als dat al bijna onmogelijk blijkt, hoe kan een OC dat dan vertalen naar niet onrechtmatig en betrouwbaar? De KJV kwalificeerde zelfs het amateuristische gedrag van de WBE als 'deskundig doorgevoerd reebeheer'.

Uit de basaal fout gebleken gegevens kan wetenschappelijk en betrouwbaar geen voorjaarsstand van exact zoveel dieren vastgesteld worden. Een troost: De met deze materie bekende beheerder hoeft die aantallen ook niet strikt te weten, daar dit voor de wettelijke mogelijkheden niet van belang is.

De telgegevens tussen 2000 en 2016 worden met elkaar vergeleken. Onmogelijk. De eerder voor het ree verantwoordelijke Stichting Reebeheer Terschelling verzamelde geen 'telgegevens' voor een bepaling van het aantal maar gaf alleen een indruk van een aantal door ter genoegdoening aan de wettelijke eis 'dat er geteld moest worden'. De toenmalige stichting - zo kon de voormalige voorzitter daarvan ons met grafieken bewijzen - bepaalde dichtheden aan de hand van zichtwaarnemingen, van alle tekenen die het ree in het veld achterliet: zwarte reeën, aantallen kalveren, spronggrootte in de winter, krabplaatsen, boonsel, vraat, de benodigde uren voor bemachtiging en meer relevante informatie. Meer dan een schatting van de totale populatieomvang was het dus niet. Wel was opvallend dat in de jaren 2004 tot 2009 veel meer ree waargenomen werd, ook door andere eilanders die regelmatig in bos en duin vertoefden. De OC had dit kunnen weten indien men wat beter de betreffende verslagen en benaderingen had gelezen. Om dus hierop een trendbepaling te baseren is wetenschappelijk en statistisch onjuist en geeft ook daarmee aan hoe gebrekkig men te werk ging. Het staatje op bladzijde 11 heeft dan ook geen enkele beleidsbepalende waarde.

Opvallend is het overzicht op bladzijde 12. In 2016 kwam de waarschuwende nota Het Ree op Terschelling en zag SBB de noodzaak om te controleren tijdens de tellingen. Dat gaf een drastische verlaging te zien van het totale aantal. De OC maakt zich daarvan af vanwege mogelijke interpretatieverschillen over de tellingen. Nee, men was minder vrij in het at random vaststellen van het aantal reeën.

In 2018 bleek een telling wel zeer onbetrouwbaar. Terwijl vele belangstellende eilanders voor ree in de buitengebieden bijna nooit meer een ree zagen, bleek het aantal waargenomen dieren tijdens een drietelling bijzonder hoog, tegen de 200. Maar niet op de plaatsen met een SBB-medewerker als waarnemer. Op het eerder genoemde Jan Tijseduin werd tijdens drie waarnemingen sporadisch een ree gezien, in 2016 dus 28! De conclusie ligt voor de hand.

De drone telling

Hierover positieve waardering. Dit blijkt een bijzonder waardevolle methode te zijn voor een bepaald gebied, maar waarschijnlijk te duur om dat van jaar tot jaar uit te voeren. Dat zou dan op het gehele eiland moeten, enerzijds om aan te tonen dat gebieden die nu als te verstorend gekwalificeerd worden en niet in de berekening volgens Van Haaften worden 'meegenomen' toch een behoorlijke dichtheid kunnen bevatten. Maar ook hier geldt: wat is de wetenschappelijke waarde om precies te weten hoeveel reeën ergens zitten? Ga na wat het ree veroorzaakt, of het in evenwicht is met flora en fauna en bepaal daar de gedragsregels voor het beheer op. In ontoelaatbare omstandigheden geven wettelijke bepalingen redenen om eventueel in te grijpen.

De rekenmethode van Van Haaften

Om eenzelfde waarde voor graslanden als in Friesland aan te houden lijkt voor Terschelling niet verstandig. In de weilanden aan de zuidkant van de hoofdweg worden uiterst zelden reeën gezien, de duinweilanden bieden juist een goede uittredeplek. De uitslagen volgens het GIS-systeem zijn zuiver theoretisch. Bekijk daartoe de overzichtskaart van het eiland, met daarop blauwe en rode stippen voor de locaties waar bok en geit zijn geschoten in de periode 1998 tot 2012.

Over de kennis van het leefgebied bij de WBE-leden zet de Reeënstichting Terschelling kanttekeningen. Indien voldoende kennis daartoe ontbreekt, indien geen cursus is gevolgd over de leefwijze van het ree, indien de enige empathie uitgaat naar afschot, lijkt het fundamenteel onjuist om deskundig beheer te kunnen verwachten. Het is ondoordacht van de OC om de schaarse kennis die wel op het eiland aanwezig is te omzeilen en kennelijk als tendentieus te beschouwen. Het negeren van die wetenschap is ook in dit onderzoek waarschijnlijk weer te wijten aan mensen die een afkeer hebben van het verkrijgen van relevante informatie. Voor de beoordeling van de berekening volgens Van Haaften voor het gehele eiland blijkt deze gang van zaken ook weer bij te dragen tot conclusies die onvoldoende steunen op de werkelijkheid. Dit leert ook de overzichtskaart, waarop te zien is dat in gebieden die niet in aanmerking zouden komen voor een evaluatie van de berekening volgens Van Haaften, vele reeën indertijd zijn geschoten. De vraag hierbij is relevant of de OC die slechts geringe mogelijkheden en tijd had om voldoende kennis te kunnen nemen van de biotoop en de levenswijze van het ree op het eiland een goede indruk kon krijgen. Gevallen zijn bekend dat reeën op Terschelling in lage vegetatie tijdens het cranberry-plukken bleven liggen tot op tien meter nadering (eigen waarneming) en pas overeind kwamen bij direct zicht. Reeën verblijven wel degelijk in begraasde gebieden, daar lagere struiken zoals duindoorn, kruipwilg, heide en gagel meer dan voldoende dekking bieden om te herkauwen en rust te vinden. Al met al geeft de door de OC uitgevoerde berekening van de aanwezigheid van het ree een aantal dat niet in overeenstemming is met de waarneming van de sporen die het ree in het terrein achterlaten.

Kaart met locaties van afschot, 1998 - 2012. Vergroting tot 200% geeft meer duidelijkheid.

De constatering dat de Bosplaat minder aantrekkelijk gebied voor het ree zou zijn geldt zeker niet voor het hele gebied. Oostelijk van de badweg ligt de Berkenvallei, uitermate geschikt voor ree. Een 'betrouwbare' WBE-telling heeft daar in 2016 28 reeën opgeleverd! En een andere teller, nog vijf kilometer verder op de Bosplaat immers ook nog eens 22. En hoewel die waarnemingen officieel zijn opgegeven en door de OC als rechtmatig worden beschouwd zou dat voor deze daarmee tegenstrijdige constatering van de biotoop door de OC toch te denken moeten geven. Dit soort tegenspraken komen we geregeld tegen in de inhoud van het FBE-rapport. Lamsoor en lage duinbegroeiing van eerste, tweede en derde duintjes vormen wel degelijk voedsel, rust en dekking voor ree. Zeker het westelijke gebied op de Bosplaat is zeer aantrekkelijk, let op de krabplaatsen, boonsel, veegboompjes, kalveren.

Dat recreatiedruk en honden een belemmerende invloed zouden hebben is eveneens discutabel Die druk was er ook van 2000 tot 2009 en vormde geen enkele belemmering voor de exponentiële populatieontwikkeling.

1. Toerisme zou een negatieve trend veroorzaken in de omvang van de populatie.

In het laatste decennium is het toerisme min of meer vergelijkbaar met de periode van 2001 tot 2008 (overnachtingen gerelateerd). Toeristen op wandelschoenen komen nauwelijks in de meestal natte en redelijk ontoegankelijke gebieden met dichte en voor het ree aantrekkelijke dekking. Het ree is vanaf de komst in 1992 gewend aan toeristen en weinig mensen gaan van de paden af. In de jaren 2001 tot 2008 gaf het aantal ree-waarnemingen van vele jagers en eilanders die veel in het buitengebied rondkijken reden tot een aanzienlijk hogere schatting dan 165. Omdat in het laatste decennium sporen en tekenen van leven van het ree aanzienlijk minder zijn dan in de eerste tien jaren na 2000 wijst dit op een rationele trenddaling. Toch lijkt heden het totale aantal reeën door geïnteresseerde waarnemers gezien, hoger dan 165 uit te komen.

2. Loslopende honden en begrazingen zijn funest voor het ree.

Juist in de laatste tien jaren is door SBB extra aandacht besteed aan loslopende honden in het duingebied (meer waarschuwingen en bekeuringen). Dat ze ree verstoren is reëel, maar niet in sterkere mate dan in het begin van deze eeuw.

Begrazingen vinden plaats op enkele honderden hectares (van het totaal van circa 7500 hectare door ree bezocht gebied) en ondanks begrazing worden daar reeën gezien.

De Stichting krijgt de indruk dat de aantallen volgens de berekening van Van Haaften zo laag mogelijk dient te blijven. Dat om het aantal reeën dat meer geteld zou worden voor afschot te kunnen bestemmen? Je zou dat van een wetenschapper niet verwachten, maar het lijkt er sterk op!

In de draagkrachtberekening volgens Van Haaften zoals die door de Stichting is geaccepteerd hebben vele factoren meegewogen. Vooral de weging van de achtergelaten reesporen tellen mee aan de veronderstelling dat ergens toch regelmatig reeën verblijven, wat de TOP10NL (wat dat ook zijn moge) daarover ook theoretisch voorspelt. Onze geaccepteerde berekening komt uit op een factor 4 hoger dan de berekening volgens de OC. Beide berekeningen lopen dus sterk uiteen, maar beide bewijzen dat er reeën zijn. Meer waarde kan er niet aan toegekend worden. Dat was ook niet de bedoeling van Jan van Haaften, zo begreep onze coördinator in een discussie met hem indertijd na de introductie van het ree. Die berekening is ook zeker niet bedoeld om een reden tot afschot te creëren, zoals de eilander WBE strak volhoudt: 'We volgen de methode Van Haaften, afschot is afhankelijk van overschot', zo lijkt de gedachte.

Hoe vervolgens de OC bepaalt dat het totaal aantal dieren op 196 gesteld kan worden is weer een opmerking die de wenkbrauwen doet fronsen. Zelfs de marge van 33 dieren is onbegrijpelijk. Tellen is niet of nauwelijks nuttig of mogelijk, toch ziet de OC redenen om het mogelijk een factor voor afschot te laten zijn. Er zijn vele variabelen, toch kan de OC door de aangetoonde schattingen van de telgegevens van de WBE opmaken dat de gemiddelde ecologische draagkracht 196 dieren zou zijn. Let er hierbij ook op, dat de WBE van mening schijnt te zijn dat de dichtheid van de populatie direct afhankelijk is van het aantal telplaatsen. De logica van de OC is onnavolgbaar….

De teruggang van de dichtheid van de reeënpopulatie is een constatering waar de RT het mee eens kan zijn. De redenen daarvan heeft de RT in haar beheerplan weergegeven. De exponentiële groei van het ree heeft zich na ongeveer 2007 gestabiliseerd en de trend is sindsdien dalend. Zo bewijzen de waarnemingen en de sporen van het ree zelf. Die nu dalende trend zal in het laatste decennium ook in de hand gewerkt zijn door het rücksichtslos afschot van de WBE. Zoals een bestuurslid opmerkte: 'ik schiet door tot het niet meer kan en dan zien we wel verder'. De bewijsbare gegevens van het willekeurige afschot zijn terug te vinden in het faunaregistratiesysteem (FRS). Kalveren worden voor afschot op het eiland niet gewaardeerd.

Schade en aanrijdingen

Aanrijdingen komen over het algemeen uit meldingen van de WBE. Volgens inlichtingen van de Stichting zijn er bijna geen meldingen die bij de politie zijn terug te vinden. De WBE-meldingen zijn net als hun tellingen te vrijblijvend.

Overigens bepaalt de wet dat voor iedere vorm van faunaschade in verband met een beschermde diersoort maatregelen getroffen dienen te worden om schade te voorkomen. Dat geldt ook voor aanrijdingen. De gemeente stelde zich indertijd garant om de wildspiegels (onder andere langs de badweg van West) te verzorgen. Van de indertijd geplaatste 100 spiegels daar zijn er nog enkele over.

Opmerkingen voor Terschelling

Telgegevens

Trend

Aanrijdingen en schade

Infrarood

Ecologie

Redenen tot afschot

Aanbevelingen, opmerkingen en zienswijzen Reeënstichting Terschelling

  1. Het gedrag, de betrouwbaarheid en de handelswijze van de WBE acht de Reeënstichting Terschelling inmiddels zó discutabel dat de Stichting overwegende bezwaren heeft om deze vereniging de gehele verantwoordelijkheid voor het reebeheer toe te kennen.
  2. Tellingen dienen uitsluitend te worden uitgevoerd ter bepaling van een mogelijke trend. Het berekenen van een MNA is overbodig nadat geconstateerd is dat er binnen een leefgebied reeën voorkomen. De schatting geeft aanleiding tot misverstanden;
  3. De provinciale overheid dient in te zien dat tellingen een doorlopend gesteggel opleveren en aanleiding geven tot manipulatie;
  4. Tellingen zijn niet van belang voor doelgericht beheer en het beleid dat daartoe aanleiding geeft. Het ree bepaalt wat nodig is;
  5. De rekenmethode volgens Van Haaften is leerzaam en geeft een rekenkundige uitkomst, maar is niet relevant voor het reebeheer;
  6. Aantallen geven bij FBE's in bijna alle gevallen een vermeende reden tot het doorvoeren van een bepaald afschot. Dat dogma dient landelijk doorbroken te worden;
  7. De slogans van de Koninklijke Jagers Vereniging en van de Vereniging Het Reewild zijn respectievelijk 'Verstandig Beheren en Benutten' en 'Duurzaam Beheer'. Indien de afschotmogelijkheden in gevaar komen worden die ethische benaderingen snel terzijde geschoven;
  8. Een objectieve partner voor het reebeheer lijkt voor het ree (en voor SBB) noodzakelijk;
  9. De Reeënstichting Terschelling heeft een vermoeden van het aantal aanwezige reeën op het eiland. De Stichting weet zich gesteund door de wettelijke voorschriften, waarbij vermoedelijke aantallen en veronderstellingen geen rol spelen. Deze wettelijke bepalingen zal de Stichting strikt volgen;
  10. De Stichting is - indien daar aanleiding toe bestaat - in beginsel niet tegen afschot. Daartoe kan medewerking verleend worden, mits met bindende adviezen van de Reeënstichting Terschelling;
  11. De OC heeft met haar slotadvies tot afschot nauwelijks begrepen waarom dit onderzoek heeft plaatsgevonden. Zij heeft een loopje genomen met de intenties van staatssecretaris Martijn van Dam en die van de provincie. De provincie komt tot dezelfde conclusie als in de nota Het Ree op Terschelling.
  12. De Reeënstichting Terschelling is derhalve verheugd dat in tegenstelling tot het advies voor afschot van de OC de provincie anders heeft besloten.
  13. Deze kritieken wil de Stichting achter zich laten en voorstellen een nieuw begin te maken met het reebeheer op Terschelling, waarbij de Stichting bereid is verantwoordelijkheid te dragen.

Downloads