Wat is het ree?

een algemene beschouwing

Hier volgt een algemene beschouwing over de wetenswaardigheden van het ree. Het is redelijk merkwaardig, maar de belangstellenden voor het beheer van ree spreken altijd over 'het' ree, terwijl het grote merendeel van de Nederlanders het over 'de' ree heeft. Maar omdat het onderzoek over de levenswijze van dit dier vooral door deskundigen op het gebied van jacht en wildbeheer op papier is gezet, volgt onze stichting het woordgebruik van 'het ree'.

DNA
Het ree, zo is door fossiele fragmenten gebleken, is één van de oudste diersoorten van onze fauna. De diersoort bestaat al miljoenen jaren en is in die tijd nauwelijks veranderd. Misschien hier en daar wat forser of kleiner geworden, maar de oervorm is intact gebleven. Dit heeft betekenis, want ieder kan er van uitgaan, dat daardoor het genetisch materiaal volledig gestabiliseerd is. Dat betekent dat de kans op mutaties in vorm en/of gedrag waardoor een duidelijk afwijkende soort zou kunnen ontstaan, heel klein is geworden. Dit verklaart ook, dat de bij sommige dierenrassen optredende 'inteelt' bij dit ree niet voorkomt. Inteelt heeft een beladen klank. Velen denken dat dit woord betekent dat de eigenschappen achteruit zouden gaan, dat er misvormingen optreden of een geheel ander gedragspatroon. Dat hoeft lang niet altijd het geval te zijn en men maakt er daarom ook gebruik van om juist door inteelt de verschijningsvorm te verfraaien of om bepaalde gevoeligheden voor ziektekiemen te verminderen. Denk daarbij aan het doorfokken van honden, katten en paarden.

Hieruit valt ook te leren dat selectief afschot op de vorm van het gewei, om nog mooiere trofeeën te 'kweken', flauwekul is. Een armetierig bokje dat z'n eerste jaar in een slechte omgeving doorbracht en het volgende jaar in een optimale rustige biotoop, ontwikkelt een gewei waar je 'U' tegen zegt. Het genetisch materiaal is namelijk hetzelfde gebleven, uitwendige factoren bepalen de verschijningsvorm. Zo zien we dat het gebied waar een ree leeft, het zo genoemde 'leefgebied' bepalend is voor het welzijn van een populatie. Een 'supergroot' gewei of halfbakken stangetjes alleen zegt dus niets over de leeftijd. Hierover later meer.

Familie

Familie

Het ree is een gezelschapsdier. De vrouwelijke dieren heten 'geiten', de mannelijke 'bokken', dus geen vrouwtjes en mannetjes. Ze verenigen zich in groepjes van drie tot soms wel tientallen reeën, afhankelijk van het seizoen en het terrein. Die groepjes heten 'sprongen'. Geiten met de nakomelingen van het laatste jaar vormen de gezinssprongen. Enkele van deze sprongen tezamen noemt men 'familiesprongen'. Het aantal reeën (de 'dichtheid' noemt men dat) varieert van 5 tot soms wel 20 dieren per 100 hectare. Dat oppervlak van 100 ha is één vierkante kilometer.

Die aantallen kun je niet tellen. Ondanks alle pogingen daartoe blijkt steeds weer dat een telling wel aangeeft 'dat er reeën zitten', maar de hoeveelheid is niet vast te stellen. Door het aantal telplaatsen te vermeerderen kun je dus ook niet als bewijs aanvoeren dat er een x-aantal reeën zou zijn. Dat is jezelf voor de gek houden. Beter is om af te gaan op de sporen die het ree achterlaat. Sporen van de hoeven noemt men prenten, verder let een beheerder op vraat, op keutels, op krabplaatsen (dit zijn plekken waar het ree even krabt om te gaan 'zitten'), op veegboompjes (om een 'eigen gebied' te markeren), op de grootte van de sprongen en meer 'tekenen van aanwezigheid' die het ree achterlaat. Daaruit kun je opmaken of een zekere dichtheid over een aantal jaren toe- of afneemt. Dat is betrouwbaar voor een trendbepaling van het aantal, mits je die waarnemingen steeds in dezelfde maand, onder dezelfde (weers)omstandigheden, van een jaar vastlegt. April is daarvoor heel geschikt.

Een mooie verschijning

Een mooie verschijning
De hoeven laten met de twee hoef'schalen' afdrukken (prenten) achter op een zanderige bodem. Staan de twee schalen bijna tegen elkaar aan, dan loopt het ree rustig. Staan die schalen uit elkaar dan geeft dat een draf aan. Vlucht het ree, dan staan de schalen verder uit elkaar en tussen de prenten zit soms wel meer dan twee meter!

De verschijningsvorm van het ree verschilt jaarlijks twee keer heel opvallend. Dat is de kleur van de vacht, ook wel de dos genoemd. Vanaf september/oktober valt het roodbruine zomerhaar uit en daar komt donkergrijs winterhaar voor in de plaats, dat op zijn beurt in maart/mei weer verandert in roodbruin. De beheerder spreekt van dat proces over 'verkleuren', duidelijker kan eigenlijk niet. Opvallend is in de winterkleur (grijs dus) dat de reeën een witte kont ('spiegel' genoemd) hebben, de geiten een beetje rond-achtig met een uitgroei naar beneden, de bokken hebben een ovaalvormige achterkant. Van veraf kun je dan ook zien of het een bok of een geit is, want een bok ontwikkelt in de wintermaanden een nieuw gewei en dan kan dat herkenningspunt aanvankelijk nog bijna onzichtbaar zijn. In de zomerkleur is die spiegel iets lichter rood van tint, maar dus niet wit.

Eén op de 100 reeën op Terschelling is zwart. Dat is geen afwijking, maar ook genetisch bepaald, omdat in het noorden van Duitsland en Nederland deze bijzonderheid ook voorkomt. En reeën komen aanvankelijk uit Drenthe (zie ook het document: hoe komt het ree op Terschelling, te downloaden onderaan deze pagina). Merkwaardig genoeg verkleuren zwarte reeën niet zo sterk als de 'roodbruine' reeën; het is in de zomer pikzwart maar in de winter zitter er grijze haren doorheen. Het winterhaar is bij alle reeën veel beter isolerend tegen de kou dan het zomerhaar. Je hoeft dan ook geen medelijden te hebben met het ree als het een beetje vriest, want daar kunnen ze heel goed tegen.

Bij de tandarts

Bij de auteur op bezoek
De ouderdom van het ree is het best te bepalen aan het gebit. Vindt iemand een kadaver, dan is het gebit een aanduiding voor de leeftijd die het beestje had. Een beetje geoefend jager ziet dat aan de slijtage van de kiezen, al zal die slijtage op Terschelling vaak sterker zijn met al dat stuifzand op hun voedsel, dan in een sappige polder in Groningen. Jonge dieren hebben op een leeftijd van veertien maanden hun melkgebit geheel gewisseld tegen een blijvend gebit met 32 tanden en kiezen. In de bovenkaak ontbreken de snij- en hoektanden, die zitten uitsluitend in de onderkaak. Er zijn altijd drie grote kiezen en drie kleine kiezen in iedere kaakhelft, en in de onderkaak per helft aangevuld met een hoektand en drie snijtanden.Best vreemd eigenlijk, dat het ree een sappig blaadje dus van de plant hapt door het tussen zijn ondervoortanden en zijn tandenloze bovenste gedeelt te klemmen... Er zijn enkele andere methoden om de leeftijd te bepalen, daarvoor is specialistische literatuur voorhanden.

Het ree op onderstaande video vereerde in 2017 de auteur letterlijk met een bezoekje. Niet om zijn tanden te laten doen, maar om zich te goed te doen aan de rozen van Els!

.

Het gewei

Het gewei
Bokken dragen een gewei, dat jaarlijks nieuw groeit. In het eerste jaar (we noemen zo'n jong bokje een jaarling) vaak niet meer dan twee rechte stangetjes. In latere jaren groeien daar bij het jaarlijks nieuwe gewei nog 'enden' aan, een driejarige bok heeft meestal een gewei dat aan iedere kant uit drie enden bestaat, daarom spreekt men van een zesender. Vele variaties in aantal enden en vorm zijn echter mogelijk en we weten nu ook dat het gewei niets met zekerheid zegt over de leeftijd van de bok.

Het gewei wordt gevormd met een huidje er overheen. Men noemt dit 'de bast'. De groei begint direct na de afworp van het oude gewei, dat is vanaf eind september ongeveer, een beetje afhankelijk van de leeftijd. In april is het gewei volgroeid, de bast verdroogt en het ree wil dan graag zijn territorium (zijn eigen gebiedje in het gehele leefgebied van een populatie) markeren door met zijn geurklieren op zijn voorhoofd boompjes van een reukspoor te voorzien. Tegelijkertijd wordt tijdens dat vegen de bast eraf geschraapt, zodat de vorm van het beenachtige gewei goed zichtbaar wordt.

Horen, zien en ruiken

Horen, zien en ruiken
Het gezichtsvermogen van het ree is astigmatisch. Hij kan wel redelijk zien, maar bewegende dingen vallen het meest op. Net als bij een haas. Een strikt niet-bewegend dier of mens valt hem als niet verontrustend op. Het schijnt dat reeën wel de kleur blauw heel goed kunnen onderscheiden van de andere kleuren. Het gebruiken van een verrekijker dat blauw gecoat glas bevat is wellicht daarom niet raadzaam.

Het reukvermogen is opvallend en zelfs veel beter dan die van een hond. Dieren en mensen kan hij al op honderden meters ruiken, dus als mens moet je altijd onder de wind blijven (de wind waait dan vanaf het ree naar je toe) als je een ree verwacht te zien.

Geluiden in het terrein zijn selectief verstorend voor het ree. Fietsers op het fietspad verontrusten het niet, de gewone gang van zaken (boswerkzaamheden, auto's, lachende en pratende toeristen) trekt het zich niet erg aan, een plotse voetstap door knisperende bladeren maakt het echter wèl alert.

Een ree horen
Het ree maakt verschillende geluiden. Bij pijn (aanrijding) of een verwondende aanval van een hond is het een angstig geschreeuw, ook wel 'klagen' genoemd. Normaal geluid is het 'fiepen'; een geluid dat blazend door de neus wordt gemaakt en dat dient tot onderling contact. De fiep van een geit is een toon lager dan de fiep van haar kalf. Verder is er het 'schelden', dat lijkt op een enkele korte blaffen van een hond. Dat laatste wanneer het ree onraad vermoedt, bij naderend zichtbaar gevaar, tijdens ander ongebruikelijk of vreemd geluid of wanneer het een concurrent in zijn nabijheid waant. Zowel bokken als geiten maken deze geluiden.

Territorium, bronst en dracht

Territorium
Het ree is meestal eenzaam, maar niet alleen. De sprongen in gezinsverband blijven vooral in voor- en najaar intact. Jonge dieren verlaten na de winter dit gezinsverband om een eigen gebiedje op te zoeken. Zo'n gebied noemt men een territorium. Dat is voor één of enkele reeën die aan elkaar gewend zijn meestal niet groot, een vijf tot tien hectare bijvoorbeeld. Eén hectare is 100 x 100 meter, dus iets groter dan een voetbalveld. Geiten en bokken hebben ieder hun eigen territorium, dat elkaar soms overlapt en ze blijven dat gebied trouw indien ze daarin niet te vaak verontrust worden. Bokken kennen enkele fases waarin ze dat gebied al of niet sterk verdedigen. Territoriumgedrag zien we aan de verdediging van een bepaald gebied door het afzetten van geur uit geurklieren door het 'vegen' van jonge boompjes terwijl ze grond rond het boompje weg krabben en door het 'schelden' indien een vreemde bok binnen dringt. Ook geiten tonen territoriaal gedrag, maar minder agressief. De meest verdedigende periode van de bokken is vóór en tijdens de bronst.

Bronst en dracht
Tijdens ‘de bronst’ van eind juli tot begin augustus zoeken de bokken de geiten op om deze te bevruchten (‘beslaan’ - heet dat). De bronst zorgt bij het ree voor de voortplanting. Bokken zijn tijdens die bronst heel actief en kunnen veel geiten, ook buiten hun eigen territorium, beslaan. Omdat de bokken een oerdrift tonen tot het beslaan van de geiten binnen de drie weken die de bronst duurt, wordt praktisch iedere geit 'beslagen'. Dat gebeurt binnen de tien seconden (ik moet er niet aan denken…). Vóór die paring zie je dat de bok en de geit rondjes van 10 - 20 meter achter elkaar aan lopen, een vast ritueel, vaak met een struik als middelpunt.

Is de bronst voorbij, dan zoeken de dieren rust in de dekking. De (deels uitgestelde) dracht duurt ruim negen maanden voordat de kalveren ‘gezet’ worden in de periode van eind april tot soms wel in juni. Een volwassen geit zet meestal twee, soms één of drie kalveren. Deze blijven afgezonderd van de geit de eerste drie weken rustig de hele dag op hun plaats liggen, maar de geit weet precies waar dat is om ze één of twee keer per dag te zogen. Vind je zo'n kalf (of de hond doet dat per toeval, de kalveren in deze fase geven namelijk nog geen reuk af): laat mooi liggen, raak het niet aan, ga er niet mee zeulen, geef ze geen naam en breng ze niet naar een opvang! Meestal overleven ze dat niet.

Bok- en geitkalveren worden gezet in een geslachtsverhouding die meestal 1 op 1 is. De latere verhouding in de populatie kan anders worden, maar is niet kritisch voor het nageslacht. Wordt het ree niet te veel verontrust en voldoet een terrein aan dekking en voedsel, dan kan het tien tot twaalf jaar oud worden.

De menukaart

De menukaart
Reeën moeten ook eten, 'foerageren' is de term. Dat doen ze 's winters om de vijf, zes uren en gaan dan weer zitten (dat is rustig gaan liggen en herkauwen in de dekking). In de zomer gebeurt dit vaker, om de drie tot vier uren. De hoogste activiteit zien we rond zonsopkomst en -ondergang en bij heldere maan. Voor verstoring van het dagelijkse ritme is het ree heel gevoelig. Ze blijven dan bij voorkeur in de dekking en foerageren meer van de daar aanwezige jonge opstand en dat kan dan schade veroorzaken. Verstoringsfactoren zijn honden die als een dolle en niet onder appel door het duin racen, te hoge en ongecontroleerde jachtdruk, kriskras door het duin en bos lopende mensen.

Dat voedsel is kritisch. Het ree is een echte fijnproever, een sneuper! Ze foerageren het liefst eiwitrijk jong groen, maar bijna geen gras. Blaadjes, knoppen van planten, jonge scheuten, paddenstoelen, kruiden, appeltjes en cranberries, andere bessen, vruchten en zaden. Blaadjes van de lijsterbes zijn ze gek op, dennennaalden vreten ze niet. Kamperfoelie komen ze niet aan, bramen weer wel. Jonge vogelkersblaadjes zijn geliefd, de rest van het blaadje zie je dan met een hapje er uit op een dertig/veertig cm boven de grond. Let er maar eens op!

Het spijsverteringskanaal is veelzijdig. Even voor de kenners: er is een pens, hier wordt voedsel opgeslagen tot de herkauw, dan terug naar de netmaag, verder door de boekmaag en lebmaag voor een goede vertering. De overblijvende keutels verlaten de endeldarm en zijn te zien als hoopjes zwarte boontjes, daarom 'boonsel' geheten. Ze hebben een heel andere vorm en kleur als konijnenkeutels. Die spijsvertering is heel kritisch en het dier heeft tijd nodig om aan het voedsel dat over het gehele jaar in wisselende samenstelling bereikbaar is, te wennen. Water haalt het dier uit de jonge scheuten, ze drinken zelden. Ga je nu uit medelijden (wanneer er een beetje sneeuw ligt) de reeën bijvoeren met eiwitrijk voedsel, dan verstoor je dat verteringsritme, ze krijgen daarop diarree en gaan meestal dood. Dus die zorgzame gevoelens hebben een averechts effect. Reeën kunnen heel goed tegen de kou, ze komen voor tot in Noord-Noorwegen en ze hoeven beslist nooit bijgevoerd te worden!

Leefgebied

Leefgebied
Over bijvoeren gesproken; moet het ree eigenlijk wel 'beheerd' worden? Het is een diersoort die niet onder het wettelijke jachtwild valt, dus juridisch kun je niet over 'jacht' spreken wanneer de mens ingrijpt in het reeënbestand. Dat heet dan 'beheer in verband met schadebestrijding'.

Deze beschermde diersoort valt onder de Wet Natuurbescherming. De mens kan wel ingrijpen indien het ree voor de mens meerjarig onacceptabele schade toebrengt aan de flora, fauna, bos- en landbouw, kwekerijen, openbare veiligheid en andere doorslaggevende aspecten, die van velerlei aard kunnen zijn. Die aspecten beschouwen we in een bepaald leefgebied, waar al eerder in dit verhaal over gesproken werd. Dit is voor een gehele bestaande populatie een groot terrein van minstens duizenden hectares, waarin het ree eventueel die schade zou kunnen aanbrengen. Een leefgebied is dus nogal uitgestrekt en wordt in ons land met al zijn infrastructuur meestal bepaald door voor het ree niet- of moeilijk- over te steken grenzen. Denk daarbij aan drukke spoorwegen, vierbaanswegen met een raster aan weerszijden, brede rivieren en/of zeearmen (Zeeland), Waddenzee, grotere meren. In het leefgebied zoekt het ree rust, voedsel en dekking, drie eenheden waar het zeer gevoelig voor is.

Terschelling is een heel duidelijk voorbeeld voor een omsloten leefgebied van ongeveer 8000 hectare. Het is voor het ree onmogelijk om de Waddenzee zwemmend over te steken, dat lukt dus niet. Migratie van of naar het eiland kan ook niet, het ree moet het doen met de eigen populatie in de eigen biotoop van het eilander leefgebied. Dat maakt het beheer hier juist zo interessant, boeiend en waardevol, mits er met inzicht en belangstelling voor het ree wordt beheerd en niet uitsluitend gekeken wordt hoe tot een maximaal afschot te komen. Daarom is de aanstelling van een coördinator, die samen met het bestuur vooruit kan denken, een positief element.

Over een juist beheer zijn vele bladzijden te vullen. We zullen hier volstaan met de aankondiging dat de stichting een goed beheer- en werkplan zal uitwerken. Wanneer dat klaar is, zal dat zeker op deze website gepubliceerd worden. Meer informatie over beheer op het ree leest u onder Jacht en Beheer.

Ontstaan van het Ree op Terschelling

Hoe kwam het ree nu eigenlijk op het eiland Terschelling? Vele verhalen deden decennia lang de ronde. Wij weten hoe het zit en als je onderstaand relaas download weet jij het ook!

Met dank aan de auteur: J.M. Smit
Bovenstaande foto: Het eerste Ree op Terschelling, door J.M. Smit
Overige Foto's: H. Hilarides, C. Jongedijk, R. Schroor, J.M. Smit