Bijvoeren Reewild?

Bijvoeren Reewild?

Al of niet bijvoeren is een heikel onderwerp, het doet een beroep op gevoelens van medelijden. Misplaatst, zeggen deskundigen als drs. Joop Poutsma (indertijd docent reewildcursus), dr. Marcus Clauss en Farbian Neubert, Duitse deskundigen. Is het bijvoeren een onderdeel van noodzakelijk reebeheer voor Nederland?

Geen strenge en sneeuwrijke winters meer

Nederland kent op het ogenblik nauwelijks winters met maandenlang ijs en dikke sneeuw. Soms treedt er een vorstperiode met wat neerslag op en ligt de sneeuw misschien een paar centimeter hoog. Ga er van uit, dat er momenteel slechts één op de tien winters een laagje sneeuw zal vallen en dat blijft meestal niet langer liggen dan enkele dagen tot weken. Dit is zo weinig, dat het ree altijd in staat blijft om natuurlijk voedsel te vinden. Het dier weet exact op welke locaties onder de sneeuw wat te vinden zal zijn en dat kan het gemakkelijk tevoorschijn krabben. Derhalve vormt het Nederlandse winterweer geen enkele bedreiging voor de eilander populatie, temeer daar we hier meestal een paar graden hogere temperatuur hebben dan aan de vaste wal. Misschien vind je na een voor onze begrippen 'strenge' winter wat meer valwild. Dat is dan een onderdeel van de natuurlijke winter- en voorjaarsterfte, voornamelijk onder de kalveren. Dat is normaal en vormt geen gevaar voor de populatie. De overblijvers vinden daardoor juist meer te vreten in het vroege voorjaar!

Bijvoeren kan soms met meer dan 60 cm sneeuwhoogte enigszins welkom zijn, maar dan alleen indien voorzorgsmaatregelen getroffen worden. Sneeuwval weet je niet van tevoren. Wil je effectief bijvoeren, dan dient vooral rekening te worden gehouden met de stofwisseling van het ree. Dus hoe het ree het voedsel verteert. Ben je van plan om bij te gaan voeren, dan zou je al in oktober/november moeten beginnen met weinig bijvoer, om de reeën te laten wennen aan een ander voedselpatroon. En dat dient dan de gehele winter volgehouden te worden, ongeacht vorst en/of sneeuw. Dus niet ‘even wat bijstrooien’ als er vandaag wat sneeuw valt. Bezin daarom voor je begint en laat je niet misleiden door het gevoel dat dieren net zoveel last van de kou hebben als mensen, want dat is niet zo. Denk er ook eens aan hoe het ree tot aan de Noordelijke IJszee blijft voortbestaan en daar zijn de omstandigheden in de winter toch wel heel wat zwaarder dan bij ons. Het is dus geen goede gedachte om als het weer even omslaat met een vracht appeltjes of suikerbieten het duin in te gaan vanwege de honger van ‘die arme diertjes’. Ze zijn er niet aan gewend en ze hebben het ook niet nodig.

Nog schadelijker is, om pas bij een paar centimeter sneeuw te gaan voeren, op te houden als het even dooit en weer te beginnen bij een nieuwe sneeuwbui. Hun spijsvertering wordt daardoor steeds geheel verstoord, ze krijgen diarree en gaan daaraan onherroepelijk dood door te veel vochtverlies in de winter. Het is een zekere manier om ook de sterkere reeën de dood in te jagen. Hoe goed bedoeld ook, laat de reeën in Nederland zelf uitmaken hoe ze hun eigen kostje - waar ze aan gewend zijn - kunnen opscharrelen. Dus het is onnodig om overdreven bezorgdheid te tonen, het ree is wel wat gewend!

Bijvoeren elders

Het bijvoeren voor eigen jachtgenot kan wenselijk zijn in gebieden waar je ervan uit kunt gaan dat iedere winter een metersdikke sneeuwlaag oplevert. Hierdoor wordt de kruid- en struiklaag onbereikbaar en er zal meer wintersterfte optreden. Dit zal dus vooral te verwachten zijn in hogere bergstreken en in hoog-noordelijke gebieden. Noord-Noorwegen, Lapland, Siberië. Onder deze omstandigheden zou een jager het bijvoeren van grofwild kunnen overwegen om daarmee overbodige winter- en voorjaarssterfte enigszins te beperken. Gezien de uitgestrektheid van die gebieden heeft dat alleen een sterk plaatselijk effect. Maar zelfs daar heeft het alleen enige meerwaarde, indien het bijvoeren structureel wordt opgezet wat betreft de tijdsduur, de optimale terreinlocaties en de voerkwaliteit. Ook daar dien je te beginnen met kleine hoeveelheden, omdat de stofwisseling van het ree minstens drie weken nodig heeft om niet van streek te raken. Op de voerplaats dient dekking en rust ruim voorhanden te zijn. Is een beheerder begonnen, dan moet niet dagelijks gecontroleerd worden of het voer al of niet wordt aangenomen, verontrusting dient voorkomen te worden. De voerplaatsen moet je stiekem kunnen benaderen, hetgeen vaak inhoudt, dat je de auto op ruime afstand van de voerplaats wegzet. Het verdient daarnaast aanbeveling om steeds dezelfde beheerder te laten voeren. Het wild, dat zich eerst in de dekking terug zal trekken, raakt bekend met de bijvoerder. In maart/april moet die hulp ook weer langzaam afgebouwd worden. Pas dan kan het enige zin hebben om enkele dieren de hoge sneeuw te laten overleven. Het argument van ‘eigenbelang’ is niet altijd ‘reeënbelang’.

Conclusie

Daar onze winters tegenwoordig nauwelijks nog streng of met veel sneeuwval gepaard gaan is het algemene advies om de reeën zeker niet bij te voeren en vooral met rust te laten. Het ree heeft een prima isolerende vacht en kan meer kou verdragen dan je denkt. De dieren ondergaan de eventuele vrieskou niet als bedreigend. De goedbedoelde wens van vriendelijke mensen om te willen bijvoeren zal leiden tot extra sterfte en dat was dan waarschijnlijk niet waar de strooiers van wat oude appeltjes of aardappelschillen op hoopten!

Oostvaardersplassen

Deze dagen met wat vorst en sneeuw (eind februari 2018) horen en lezen we veel over de hongerlijdende runderen en edelherten in de Oostvaardersplassen.

De filosofie is op het ogenblik, dat de beheerder van dat terrein dieren laat afschieten, die waarschijnlijk de winter niet zullen halen. Omdat veel mensen het niet kunnen aanzien dat desondanks vele daar ‘opgesloten’ dieren niet weg kunnen komen, wordt voer en hooi over het raster gegooid. In analogie van het bovenstaande is dat een symptoom-maatregel die op twee manieren averechts werkt: 1. De dieren zijn niet aan eiwitrijk voer gewend en hun spijsvertering wordt ernstig verstoord; 2. Wat de beheerder ook al vertelde: je helpt misschien enkele wat sterkere dieren door deze moeilijke weken (de al uitgeputte categorie wordt door de sterkere niet tot het voer toegelaten) maar het effect is de kans op meer nakomelingen waardoor een volgend jaar de toestand alleen maar zal verergeren.

De methodiek die hier toegepast moet worden is rationeel. Niet alleen de dieren afschieten die al half verhongerd zijn, maar de stand vanaf september tot en met november dusdanig beperken (ja, door afschot), dat er zelfs in een gemiddelde winter voldoende te foerageren valt voor de overgebleven dieren. Blijkt een volgende winter dat dit kennelijk niet genoeg was, dan dient het percentage afschot systematisch verhoogd te worden totdat in een daarop volgende winter blijkt dat de normale wintersterfte (die altijd optreedt) niet meer wordt overschreden.

Het empathieloze eufemistische criterium ‘dat de natuur wel voor zichzelf zorgt’ gaat voor dit relatief kleine en afgesloten gebied dus niet op. Dit half gedomesticeerd natuurterrein kan niemand met enig inzicht alle natuurlijke ontwikkelingen toedichten die voor minimale onbewoonde terreinen - zo groot als bijvoorbeeld het oppervlak van heel Nederland - gelden.

Tellingen voor zombies