Tellingen voor zombies

Tellingen voor zombies

Het reeënbeheer zou gericht moeten worden op het welzijn van het ree in de meest algemene zin. In de rapportages en bij de vervolgaanvragen legt de overheid de nadruk op het aantal reeën dat in een bepaald areaal zou voorkomen. Afschotvergunningen worden ook vaak gerelateerd aan tellingen die voor jachtwild aantonen dat een wise use-begrip voor dat wild gerechtvaardigd is. Het ree is echter een beschermde diersoort in de zin van de Wet natuurbescherming en derhalve is genoemd begrip niet van toepassing.

Draagkracht

Tellingen voor het ree zijn zo ingeburgerd dat vele jagers het zien als nuttig en tevens noodzakelijk. Als argumenten voor die tellingen worden wel aangevoerd het sociale aspect, het laten kennismaken van geïnteresseerden met de natuur en het vreugdevol bezig zijn in het vrije veld. Flauwekul. Reeën tellen is verspilde moeite, verontrustend, tijdrovend en uiterst onbetrouwbaar! Maar toch gaan bijna alle jagers als een stelletje door de overheid gestuurde zombies daarmee door. Er zijn methoden om wel zinvol bezig te zijn met het reeënbeheer.

Voor een basaal begrip of ergens reeën voorkomen is de berekening volgens Van Haaften een uitgangspunt. Sommige van die berekening voor de 'draagkracht' zijn onderhevig aan plaatselijke omstandigheden. De handleiding hoe te berekenen staat op de website van de Vereniging Het Reewild. De berekening geeft alleen een indruk hoeveel reeën ergens kunnen bestaan zonder schade te doen aan biologische of economische belangen in brede zin en zegt niets over het werkelijke aantal. Het zal duidelijk zijn, dat de aantallen per 100 ha per gebied zullen verschillen. De eventuele schadeaspecten kunnen lokaal een belangrijke rol spelen en kunnen binnen een leefgebied zelfs van hectare tot hectare verschillen. In een kleine reeënbiotoop die doorsneden wordt door een drukke provinciale weg kunnen veel aanrijdingen voorkomen. Dat dwingt tot verbetering van de preventie, eventueel tot populatievermindering of tot het verlagen van de snelheid van de weggebruikers. Ook zullen er grote gebieden zijn zonder noemenswaardige verontrusting, waar de reeën misschien enige schade aan hun eigen populatie kunnen doen. Jagers kunnen overwegen om te reguleren vanwege het welzijn van de populatie zelf. Maar die gemiddelde slechtere conditie moet dan wel eerst aangetoond worden.

Omdat in ons land de criteria zover uiteen lopen is het ook in dat kader weinig zinvol om strikte aantallen dieren als bepalend voor beheer en regulatie te handhaven. En omdat die aantallen er minder toe doen is het ook niet van doorslaggevend belang om aan tellingen die niet betrouwbaar zijn, veel tijd en aandacht te besteden.

Van betekenis voor de plaatselijke draagkracht is de vegetatie, de rust en de dekking. Het meest betrouwbaar zou zijn om in de winter een vegetatieonderzoek te doen en in de vroege zomer nogmaals, omdat dan de verschillen in de voedselvoorziening het duidelijkst tot hun recht komen. De wintervegetatie geeft een schaars aanbod en dat is van belang voor de draagkracht. We voeren immers niet bij!

Kennen we het beheergebied, dan weten we aan de hand van het vegetatieonderzoek en de dekking de voor reeën aantrekkelijke locaties. De reeën maken dan zelf wel uit in welke mate ze van die gebieden gebruik zullen maken. Veegbomen, zitplaatsen, vraat, gebitsafdrukken in grotere bladeren, boonsel, wissels, prenten. Iedere meer geïnteresseerde reeënjager weet waar hij op moet letten. Worden deze aanwijzingen gevonden, dan zijn de territoria bezet en als we dat weten, kunnen we vooruit. In de goede arealen kunnen zich dekkings- en voedselkernen voordoen, die in het najaar, winter en vroege voorjaar gebruikt worden door niet direct territoriumgebonden reeën. Zelfs volwassen bokken kunnen in die periode door de territoriumbok min of meer getolereerd worden.

Afschot dient onderbouwd te worden

Redenen voor afschot zijn wettelijk geregeld. Voor de provincie Fryslân betekent dit dat afschot overwogen kan worden bij trendmatige schade, zoals bij veel aanrijdingen en bij schade aan de fauna, waar het ree ook zelf toe gerekend wordt. Vóór afschot in aanmerking komt dienen eerst preventieve maatregelen tegen de schade doorgevoerd te worden, ook dient de schade over een aantal jaren schriftelijk te worden vastgelegd waardoor die aantoonbaar is. Indien door waarnemingen de indruk bestaat dat de gemiddelde conditie afneemt dient ook dat te worden bijgehouden. Het volgen van de gezondheid van een populatie binnen een leefgebied is een noodzakelijk deel van de waarnemingen op ree. Afschot op basis van 'dat het zonder afschot verkeerd af zou kunnen lopen' is geen wettig criterium.

Als je reeën hun gang laat gaan komen er vaak meer reeën. Zodanig dat er een kritische bovengrens bereikt wordt. Hierdoor wordt het aantal sterfgevallen door calamiteiten hoger (besmettingen, voedselgebrek) dan door 'natuurlijke' sterfte. Het aantal reeën van de totale populatie lijkt in dit leefgebied Terschelling echter gestabiliseerd. Migratie vanaf of naar het vaste land is onmogelijk. Om nu te weten wanneer een populatie nog gezond lijkt gaan de beheerders bij het ree zelf te rade. Zij letten op de verschijning, het aanzien, het gedrag;. De beheerder ziet in juni/juli al geiten met één of meer kalveren, ziet hoe groot de sprongen in de winter zijn, let op zwarte exemplaren. Zijn er relatief weinig reeën en zien we door waarnemingen geen tekenen die er op wijzen dat de gezondheid van de populatie lijkt te verminderen, wordt bovendien geen rationele en trendmatige schade gemeld, dan is afschot niet nodig.

Waarnemingen kunnen dus aantonen dat de indruk gewekt wordt dat de gemiddelde conditie wèl afneemt. Voedselgebrek, verontrusting, overdraagbare aandoeningen, parasieten, stress bevestigen dat. Het kan de beheerder motiveren om een meer wetenschappelijk onderzoek te gaan doen.

Daartoe is de bepaling van het conditieproduct (CP) een redelijk betrouwbare methode. Berekening: het ontweide gewicht in kilogram maal honderd, gedeeld door de lengte van de romp tussen spiegel en voorkant hals en de hoogte van de borst (van rug tot onderkant) achter de voorlopers, in centimeters. De eilander geit kan ontweid 14,5 kg wegen, dierlengte 62 cm, borsthoogte 24 cm. Het CP is dan: 1450 gedeeld door 62 gedeeld door 24 = 0,97. Geiten en kalveren hebben in de winter een lager CP dan bokken in de zomer. De gemiddelden van gezonde dieren liggen binnen het leefgebied Terschelling tussen 0,90 en 1,20. Hoeveel dieren er onderzocht moeten worden is moeilijk te zeggen. Binnen de 7000 hectare van het eilander leefgebied met een waarschijnlijk gestabiliseerd aantal reeën kan de beheerder beginnen met een afschot van twaalf dieren, zes jong en zes volwassen. Geven waarnemingen en het CP over enkele jaren aan dat dit geen statistische verbetering van de gezondheid binnen de populatie oplevert, verdubbel dan dit aantal en bekijk het weer enkele jaren. Als het CP vervolgens over vijf jaren gelijk blijft of zelfs iets stijgt, kan dit een beter evenwicht betekenen voor dit gestabiliseerde leefgebied. Veranderingen blijven wel mogelijk door wijzigingen (begrazing, afplaggen, betreding, honden, uitkijkposten) binnen het leefgebied. Het CP meten zegt iets indien minimaal 12 dieren bemonsterd worden. Is er naast de conditievermindering mede sprake van flora- of andere schade (en zijn preventieve maatregelen genomen) dan kan het nodig zijn om meer druk te leggen op de regulering van het totale aantal dieren.

Voor de periodes van eventueel afschot voor kalveren, geiten en bokken geeft het beheerplan van de Stichting Reeënbeheer Terschelling nadere motivatie en uitsluitsel. De periodes worden ook iets anders dan in het universele plan voor Fryslân worden voorgesteld.

Nog een opmerking over verkeersschade. De neiging bestaat om in dat geval de reeën vooral vlak langs de wegen te schieten. Een nadeel daarvan is dat de territoria naast de wegen minder reeën bevatten en dat dit juist reden zal zijn voor een bezetting door jonge dieren. Dat levert dan weer aanrijdingen op omdat de jaarlingen en smalreeën niet aan de verkeerssituatie gewend zijn.

Laat in een strook van minstens 250 meter langs de rijweg de oudere dieren met rust en reguleer in het gebied tussen de 300 en 500 meter van de weg.

Conclusie

Het reeënbeheer dient plaats te vinden onder regie van het ree zelf. Tellingen zijn niet meer van deze tijd en wekken doorlopend verwarring, valse verwachtingen en geven bovendien vele mogelijkheden tot manipulaties. Ze leiden tot 'tellingen aan de keukentafel' waarbij niet de uitkomst van de cijfers enig doel heeft, maar het voldoen aan de wens van de overheid. Het ree zou bij een goed beheer gebaat zijn indien die in beton gegoten dogma's doorbroken zouden worden. De Vereniging Het Reewild zou daartoe een aanzet kunnen geven.

Het nastreven van aantallen is gerelateerd aan het wise use principe, maar dat kan voor een beschermde diersoort als het ree niet worden toegepast. Eerder moet aandacht geschonken worden aan gedegen waarnemingen en schriftelijke bewijsvoering van mogelijke schade van welke aard dan ook.

Afschot van ree - mede om de daarvoor betalende leden van een WBE tegemoet te komen - kan niet meer worden getolereerd. Ook daarom heeft de staatssecretaris de provincie opdracht gegeven een onderzoek in te stellen op de twee Waddeneilanden met ree. Dit heeft na twee jaar geresulteerd in het Eindrapport van het ree op Terschelling en Ameland. Het advies in de conclusie was dat op Terschelling 50 reeën konden worden afgeschoten.

De Stichting Reeënbeheer Terschelling is kennelijk op de goede weg: De provincie verstrekt voorlopig geen afschotvergunningen voor ree op dit Waddeneiland.

J.M. Smit, Juni 2018

(zie HIER ook meer informatie over reebeheer en het recente onderzoek van de FBE naar het Reebeheer op Terschelling)

Bijvoeren Reewild?
Geen kleur bekennen