Geen kleur bekennen

Geen kleur bekennen

In onze tijd van steeds verdergaande ontwikkelingen, ook op het gebied van kleding, is het langzamerhand gebruikelijk om goed gecamoufleerd op jacht te gaan. Zowel voor de kleinwildjacht als op grofwild. Tijdens het bersen is zulke kleding zeker aanbevelenswaardig, maar eveneens voor een ‘open’ hoogzit is een uitrusting die ‘opgaat’ in de omgeving een noodzaak waar je bijna niet meer zonder kan.

We gaan er daarbij van uit, dat wanneer je voor andere mensen door je kleding bijna niet opgemerkt wordt, dit ook voor dieren zal gelden. In de Verenigde Staten werd in de jaren 70 de oranje kleding als veiligheid voor andere jagers populair. Men ging ook daar af op de veronderstelling dat zoogdieren slechts grijstinten zouden zien en nauwelijks gevoelig waren voor kleurverschillen. Naast oranje (vaak wettelijk verplicht vanwege de veiligheid) is men kleding gaan zoeken die ook nog dezelfde florastructuur weergeeft als de omgeving. Maar om vervolgens bij het dragen van die fraaie ontwerpen, veelal met oranje, zeker te zijn dat ook het wild je niet zal opmerken, is toch een beetje kort-door-de-bocht.

Die veronderstelling komt niet overeen met de resultaten van recent wetenschappelijk onderzoek. Dit heeft geleerd dat sommige hierboven genoemde dieren een andere netvlies-opbouw hebben dan de mens.

Wit licht bestaat uit een samenstelling van verschillende kleuren, zoals we die in een regenboog zien. De respectievelijke kleuren worden veroorzaakt door een ‘eigen’ golflengte, de lengte daarvan wordt uitgedrukt in nanometer (nm). Bijna niet voor te stellen zo kort, namelijk een miljardste van een meter. Die loopt van ongeveer 300 nm voor de uiterste grens van ultraviolet licht (links van de kleurenschaal op de tekening), tot over de 760 nm, de grens naar het infrarood (rechts van de kleurenschaal), we noemen alle verschillende kleuren daartussen het ‘lichtspectrum’.

http://www.dse.nl/~dekempvis/verslagen2014/21oktober/electromachnetisch%20spectrum.jpg

Het zien van kleuren wordt veroorzaakt door de reflectie van het spectrum door een oppervlak. Enkele golflengtes die tot dat spectrum behoren, worden echter ‘geresorbeerd’ door de structuur waar het licht op valt en die zien we dan niet meer als weerkaatst licht. Daardoor verandert de samenstelling van het spectrum en we zien alleen de weerkaatste golflengte als een bepaalde kleur. Een rood petje zie je als rood, omdat - behalve rood - alle andere golflengtes door de stof van het hoofddeksel niet worden weerkaatst. Groene bladeren lijken in de herfst oranje/geel, omdat in die tijd door meer absorptie van de groene golflengtes alleen de bekende herfsttinten worden uitgestraald.

De lichtgolven worden door het netvlies opgevangen. Dat gebeurt door een specifieke samenstelling van het netvlies, bestaande uit staafjes en kegeltjes. Het aantal staafjes is 90 - 95% van het totaal, kegeltjes 10 - 5%. De staafjes zijn in staat om kleurgolven van 400 tot ongeveer 570 nm op te vangen. Dit ligt in het midden van het lichtspectrum en beslaat de kleuren van donkerblauw naar groen/geel. Overige kleuren, van geel en oranje naar infrarood, worden niet door de staafjes verwerkt. Ze zullen voornamelijk deze kleurtinten als grijsverschillen doorgeven, vooral na zonsondergang. Nachtdieren zijn voor de waarnemingen grotendeels afhankelijk van die staafjes.

Kegeltjes zijn gevoelig voor meer golflengtes van het spectrum en kunnen in beginsel de golven van ultraviolet tot infrarood verwerken. De kegeltjes zijn vooral bij daglicht van belang voor de kleurweergave, de staafjes ‘doen dan nauwelijks mee’. Jammer dat er relatief zo weinig kegeltjes op het netvlies voorkomen!

De kegeltjes zijn onderverdeeld voor waarneming van verschillende kleurgolflengtes. De mens heeft drie soorten, specifiek voor de kleuren blauw, groen/geel en rood. Hoef- (waaronder het ree) en roofdieren kunnen twee kleuren opvangen, blauw en groen/geel. Door verfijnd gedragsonderzoek lijkt het voor sommige dieren mogelijk om tintverschillen te onderkennen. Zo kan reewild licht- en donkergroen (jonge en oude blaadjes) van elkaar onderscheiden. Dat is belangrijk voor de voedselstrategie. De oranje en rode kleuren kunnen nauwelijks van groen onderscheiden worden en dieren zien die meer als grijstinten. Dieren hebben een soort rood-groen kleurenblindheid, zoals dat ook bij mensen voor kan komen.

Bij enkele diersoorten zit nog een extra laagje op het netvlies, dat werkt als een restlichtversterker. Daarom kunnen zij in de nacht veel beter zien dan waartoe de mens in staat is. Dit laagje is tevens de oorzaak dat bij deze dieren de ogen oplichten bij het aanstralen door een lichtbak of sterke zaklantaren, probeer maar bij je hond. Niet alle dieren hebben dat, onder andere bij varkens ontbreekt dat laagje.

Het bereik binnen het spectrum is voor mens, zoogdier en vogel anders. Om bij de mens te beginnen: wij zien kleuren vanaf ongeveer 420 nm (dat is indigo, bijna ultraviolet) tot 680 nm, tegen het niet meer zichtbare infrarood aan.

Voor herkauwende hoefdieren (ree) ligt dat tussen 340 (ultraviolet) tot 570 (lichtgeel). Roofdieren hebben datzelfde bereik, echter wat intensiever dan hoefdieren.

De vogels spannen de kroon, zij kunnen waarnemen van 320 (ver in het ultraviolette gebied) tot 700 nm, dat is een veel breder gebied dan de mens waarneemt. Bovendien bezitten ze meer kegeltjes, de kleuren worden intenser waargenomen dan de mens dat kan. Iedere ervaren jager weet dat vogels al op afstand soms onbegrepen van koers kunnen veranderen, terwijl je dacht dat je zo mooi gecamoufleerd in de dekking zat. De vogels zien dat anders, ieder kleurtje merken ze op, dus ook oranje! Maar er is nog iets.

Camouflagekleding stop je ook wel eens in de wasmachine. Kijk uit: in wasmiddelen zit vaak een component, die ultraviolet licht kan weerkaatsen. Dat wordt toegevoegd om de kleuren van de stof meer helderheid te geven. Dus ga je met de gewassen kleding op de eenden, de ganzen of de duiven, dan heeft dat ultraviolet dezelfde werking op de vogels als de bekende reflecterende signaalkleding. Ze zien je al van verre oplichten! Daarom kun je de uitrusting voor een eenden/duiven/kraaientrekje beter wassen met ouderwetse groene zeep, zonder dat ultraviolette toevoegsel.

Wat hebben we hier nu aan? Dat je op zoogdieren best in de opvallende oranje kleding, eventueel met de structuur van takken, stengels en bladeren, het veld in kan gaan. Wees voorzichtiger met bruine en groene tinten. Schaalwild is hier gevoeliger voor en kan verschillen in die kleurtinten waarnemen. Oranje/rood zien ze als groentinten, dus die signaalkleding werkt hier als een veiligheidsaspect voor andere jagers.

Vogels kun je bijna niet misleiden. Als je op een trek zit, kun je het beste (met gewone zeep gewassen) kleding in dezelfde tint als de omgeving dragen. Je moet het echter vooral hebben van camouflage met natuurlijke materialen, dus riet, takken, oude groene netten. Een oranje petje voor je positie ten opzichte van eventuele medejagers werkt voor het gewenste afschot contraproductief. Een en ander werpt toch een ander licht op camouflagekleding, pas die dus aan voor de jacht op vogels en zoogdieren!

Tellingen voor zombies
Veegboompjes en krabplaatsen